WE 300 : Manipuleren

Mijn bijdrage. Lees er hier meer over.

Al is Mariska niet zo geobsedeerd met de chronologische orde der dingen als Thomas, heeft ze de dingen in haar hoofd graag op volgorde. En op sommige momenten overpeinst ook zij waar het goede begin van hun relatie overging in het begin van het einde. Er was wel een moment waarvan zij zou zeggen dat het voor haar duidelijk was dat het niet goed ging. Ze herinnert zich het voorval. Al was het eigenlijk niet eens een echt voorval, ze had geen scène geschopt, ofzo, maar het was een gewone zondagochtend, een paar maanden eerder…

Ze liggen samen in bed. De broodjes en de sap en de koffie beneden wachten geduldig tot ze er zijn.

Thomas is geen slechte minnaar, toegewijd en inventief zoals hij is, en Mariska geniet echt wel van wat hij doet. Dat is nooit een probleem geweest en dat is het probleem nu ook niet maar ze kan niet stoppen met denken aan de man die al-weer een tijdje rondloopt bij hen in de buurt. Ze heeft hem, voor zichzelf, Robert genoemd.

Ze merkt dat ze over hem fantaseert terwijl Thomas bij haar aan het werk is met zijn tong en bedenkt zich dat ze, als ze klaar komt, wel eens de verkeerde naam kan noemen.

“Ik wil je in me,” kreunt ze. Thomas mompelt wat in een slaapkamerstem en komt overeind. Hij pakt haar benen en strekt ze omhoog.

“Nee, nee,” zegt ze. “Ik wil het achterlangs!” en ze draait zich op haar buik. Ze stopt haar hoofd in het kussen en bijt erin zodat ze iedere naam kan roepen die ze wil.

Later liggen ze naast elkaar en Thomas streelt haar bezwete lichaam.

“Ik hou van je, Mariska,” zegt hij.

“Ik ook van jou, Thomas,” antwoord ze.

Maar ze voelt er niets bij.


Een stel vrienden; een vrienden stel

Gewoon zomaar een lunch met een vrouw. Toevallig een vrouw waarmee ik een lange partner-relatie heb gehad. We zijn nu vrienden. Zulke goede vrienden zelfs dat één van mijn gedoodverfde uitspraken is dat we nu betere vrienden zijn dan dat we ooit een stel waren. We doen dit regelmatig. Eten wat lekkers, spreken het nieuws met elkaar door en vragen elkaar hoe het gaat. Ik had als eerste zo’n beetje verslag gedaan van wat me zoal overkomen was en vroeg hoe het met haar was. Ze zei zoiets als: “…niet echt lekker…” en ik antwoordde iets in de geest van: “Oh… Da’s jammer.” We hadden, toen we uit elkaar gingen als ‘stel’, afgesproken altijd eerlijk tegen elkaar te blijven en het recht te behouden om iets niet te delen als één van ons dat niet wilde. Haar antwoord schokte me dus eigenlijk niet. Het kan niet altijd ‘lekker gaan’. Gebeurt wel meer, gaat wel over etc.
Toen ik op keek zag ik dat er tranen over haar wangen liepen, het viel haar allemaal wat zwaarder dan ze misschien zelf besefte. Ook dat veroorzaakt bij mij meestal geen paniekreactie; ik ben een grote, stoere vent. Maar vandaag was het anders. Deze keer werd mijn hart loodzwaar. Ze vertelde niet wat haar dwars zat omdat ze dat niet wilde of omdat ze wist dat ik er tòch niets aan kon doen of om beide redenen. En ik kom het waarschijnlijk ook nooit te weten.
Na een kort bezoek aan het toilet, twee keer snuiten en een paar flauwe grapjes was het dipje weer voorbij maar op dat ene moment toen ik opkeek en haar rode, natte ogen zag wilde ik maar één ding: Haar helpen zichzelf beter te laten voelen en ik was bereid daarvoor àlles te doen.
Het is voor ons beiden geen geheim dat ik nog steeds van haar hou, op díe manier, meer dan zij van mij, op díe manier, en dat is prima. Ik heb er geen slapeloze nachten van, het hindert me niet in het contact met haar of met andere mensen, ook ‘potentïele nieuwe partners’ en ik weet dat ook dàt zal slijten en er een, naar ik hoop, rotsvaste vriendschapsband overblijft. En ik ging me ook niet ineens afvragen: “wat als…” of “had ik maar…” over onze relatie. Zo zit ik niet in elkaar maar het stak me en deed pijn, dus deze lunch zal me nog wel even bij blijven of wellicht wel voor altijd op mijn neurale prikbord blijven hangen.


WE 300 : Verhalen

Mijn bijdrage. Lees er hier meer over.

Het eten is prima, maar de sfeer gespannen.
Het is bijna een maand geleden dat Thomas en Mariska elkaar voor het laatst hebben gezien en het hele gedoe om de twit-pic zit Thomas nog steeds dwars.
Mariska heeft drie half lege borden af laten ruimen terwijl Thomas de zijne alleen plichtmatig heeft leeg gegeten. Ze hebben wat gepraat en allebei aan de ander gevraagd hoe het nu gaat en ze hadden allebei een leugen verteld als antwoord.
Onderweg naar de auto, Mariska is al buiten, bedenkt Thomas zich wat nu eigenlijk zijn bedoeling was voor vanavond. Hij had de laatste keer zijn zegje al gedaan. Was de beurt nu aan haar? Of wilde hij gewoon bevestiging? Hij moet in ieder geval iets zeggen, om Mariska het idee te geven dat hij het weet.
Als ze hem aan ziet komen lopen trapt Mariska haar sigaret uit. Thomas her-kent haar blik, er komt een confrontatie.
“Wat wil je nou van me, Thomas?” vraagt ze.
Thomas zwijgt.
“Je déélt met niemand, dat is jouw probleem. Ik deel alles gelijk met diegene die het wat aangaat. Alleen zo kan je samen leven. Dus… Zeg het maar!”
Thomas voelt iets van lang geleden. Woede, bijna onbeheersbaar. Niet op feiten gecheckt en onoverwogen brult hij: “‘…Emptying bottles in the best company’! Ik deel niet, maar jij ook niet. Delen is daadwerkelijk iets van jezelf aan een ander geven. Jij vertelt alleen maar en je vertelt sprookjes, vooral aan jezelf!”
Mariska’s gezicht vertrekt in een grimas. “Ongevoelige, bijdehante klootzak!” gilt ze. “Jìj noemt mìj een leugenaar?”
Thomas weert een paar keer haar vlakke hand af en kijkt toe hoe ze op de stoep-rand hardop gaat zitten huilen.
Er loopt een traan over Thomas’ wang. Iets dat nog veel langer geleden voor het laatst gebeurd is.


(on)macht

(zeer) vrij naar dit verhaaltje van Platoonline.

Fjodor Evgeniy Nikolajev zit naast het sterfbed van zijn vader, een uitgemer-gelde man met doffe ogen die de geluiden in de ziekenzaal proberen te volgen.
“Jongen,” begint hij moeizaam. Hij had zich nooit voorbereid op dit moment. De devotie van de mensen om hem heen had hem een waan van goddelijke on-sterfelijkheid gegeven. Pas in de laatste maanden omringd door verpleegsters en dokters, en als zij er niet waren, vooral leegte, alleen met zichzelf, in de vlek-kerige duisternis van zijn blindheid, was hij tot een ander besef gekomen, had hij een andere realiteit betreden. De realiteit van de sterfelijken, diegenen die deel uitmaken van een groter geheel. Waarin iedereen een hoger doel dient en onmogelijk het doel zelf kan zijn. En de vredige kalmte die bij de berusting daarin hoort.
“Jongen. Ik ben hard, héél hard, voor jou geweest en voor iedereen om ons heen. Dat was om jullie te beschermen en te leiden en om jou te leren dat je nietsontziend moet zijn om je doel te bereiken. Toen je moeder overleed ver-weet ik haar dat ze zwak was en niet hard genoeg had gevochten. Je stief-moeder heeft altijd geprobeerd me te laten zien dat als ik het goede deel van mezelf niet zou vrij laten, ik altijd ongelukkig zou zijn, en dat ben ik uit-eindelijk altijd geweest. Ik weet dat ik jou en je beide moeders ook ongelukkig heb gemaakt, daar kan ik nu niets meer aan doen en ik vraag ook geen begrip of vergiffenis. Alleen God kan mij die geven, daar bid ik nu iedere dag voor. Maar jij hoeft niet zo te eindigen. Ik heb gezien dat de grootste eer die een mens ten deel kan vallen, is dat een ander mens hem nodig heeft. Ik heb die eer mis-bruikt en geperverteerd voor mijn eigen gewin, maar iedereen heeft jou nu nodig zoals ze mij ook nodig hadden. Wij zijn allemaal Gods kinderen en kunnen alleen gelukkig worden als we Hem en elkaar dienen.”
Hij probeert de hand van zijn zoon te pakken, maar de toespraak heeft hem uit-geput.
Fjodor kijkt hem aan met koude blauwe ogen, maar pas als hij wat zegt vinden de ogen van zijn vader hem.
“De ziekte heeft je zwak gemaakt, vader. Je hebt me alles geleerd wat ik weet, me gemaakt tot wie ik ben. Jij hebt me het pad laten zien dat ik verder ga pla-veiden. Je bent ziek geworden door mensen om je heen die je vergiftigd hebben. Het volk is zwak, moeder was zwak en stiefmoeder is zwak. Zij zal als voorbeeld dienen zodat alle anderen weten dat dat niet meer getolereerd wordt.”
De adem van de oude man wordt onregelmatig en stokt. De machines naast het bed slaan alarm. De jonge man maakt plaats voor het toegesnelde personeel. Bij de deur blijft hij staan en zegt: “Vaarwel vader. Er is werk te doen”. Zijn vader kijkt in de richting van de stem en heft zijn arm op. “Nee, nee!” fluistert hij happend naar adem, “We hebben het recht niet!”
De nieuwe leider loopt het ziekenhuis uit en stapt in een limousine. Hij is Alberich, het Rheingoud is nu van hem. De liefde heeft hij lang geleden al afge-zworen en hij zal de Ring smeden. Het volk zal hem vrezen en gehoorzamen, hem alleen.

 


Gemaakt

“heb ik het nou gemaakt, of niet? Vertel jij ’t me maar. Jij zit al langer in de showbusiness dan ik.”
Tegenover de Schrijver zit een onwaarschijnlijk knappe jonge man.
“Ach… Pauw en Witteman is nog altijd beter dan Knevel en van der Brink,” antwoordt hij, “Maar ik ben acteur dus da’s anders”.
De Schrijver contrasteert behoorlijk met de Acteur. Een hippe jas en sjaal ontrekt een niet-sportief lichaam aan het zicht, een groot hoornen montuur maskeert een paar vermoeide, loddige ogen en zijn baard verbergt een zwakke kin, met bonus onderkin.
“Volgende week ben ik bij Humberto Tan,” zegt hij, “Is dat wat?”.
“‘k Weet niet. Ben daar nog niet geweest.”
“Ik laat je wel weten welke talk-show je de meeste meiden oplevert,” gniffelt de Schrijver.
“Ik hoef die studerende bril-kippetjes van jou niet. Jullie schrijvers lullen alles en iedereen het bed in, als je de kans krijgt.”
“Natuurlijk doen we dat, we moeten wel. Zogauw ze ontdekken dat we zo’n tien uur per dag achter de laptop zitten en lang niet zo diepzinnig zijn als ze denken, zijn ze weer weg. Zolang jij maar een beetje mysterieus blijft en strak in je vel zit, blijven ze bij jou wel hangen.”
De Acteur lacht. “Als jullie schrijvers jezelf allemaal zo zielig vinden kan ik me voorstellen dat alle meisjes gillend weg lopen. Huil je ook uit schuldgevoel als je klaarkomt?” Hij lacht nog harder.
“Ja lach maar. Jij kan die babbeltruc van ons leren en de klassiekers nog altijd lezen om indruk te maken. Maar ik kan nooit leren er zo uit te zien als jij.”
De schaterlach van de Acteur zwakt af tot een glimlach. Hij was even vergeten dat hij bij de Nationale IQ-Test algemeen als derde was geeïndigd en dat daar inderdaad weer een heel ander soort ‘fan’ op af was gekomen.
“Waar maak je je eigenlijk druk om, man,” zegt hij, “Onze bankrekeningen zijn gevuld en onze bedden ook. Wij zijn voor hen net zo goed trofeeën als zij voor ons, en zo moeten we ze misschien ook maar behandelen”.
De Schrijver denkt daar even over na terwijl de lege glazen worden omgeruild voor volle.
“Weet je, ” zegt hij tenslotte, “Je hebt eigenlijk wel gelijk. En ik ben heel blij dat ik de man ben in deze vergelijking. Vrouwen denken bij dit soort dingen altijd honderd zetten vooruit en gaan er helemaal kapot aan. Wij mannen drinken samen een biertje en denken: ‘Fuck it!'”.
“Letterlijk, ” antwoordt de Acteur en de glazen klinken tegen elkaar.


WE 300 : Spinnen

Mijn bijdrage. Lees er hier meer over.

Thomas zijn denkwereld is rationeel en geordend, maar hij is geen supermens. Er dringen genoeg gevoelens door het pantser. Hij vergelijkt ze altijd met kleine monsters, volgens hem zowiezo een onderbewuste uiting van onderdrukte ideeën, die met acht poten tegen je ruggegraat op kruipen of je met teveel ogen aankijken als ze onder een pot in de tuin tevoorschijn komen wanneer je die achteloos op licht.
De twit-pic van Mariska had zo’n bloempot-schok veroorzaakt. Waarom had ze gehuild? Was ze echt wel alleen geweest? Wat had hij gezegd? Was er iets gebeurd op zondag? En wat nu?
Haat, liefde, verdriet, daar heeft hij geen problemen mee, daar heeft hij zo zijn trucjes voor, maar dit gevoel, dit was zijn emotionele achilleshiel. Dit zou nog eens het einde betekenen van zijn mentale gezondheid.
De eerste keer dat hij zich zo voelde was toen hij een jaar of tien was. Een vrouwelijke collega van zijn vader had op een open dag van het bedrijf met een knipoog haar middelvinger opgestoken naar zijn vader, met haar tong uit haar mond. Zijn vader had speels hetzelfde terug gedaan naar haar. En zijn moeder had gereageerd met zoiets als: “Jezus, Paul! Waarom doe je dat nou weer?”
In de paar dagen daarna had Thomas zich zorgen gemaakt of zijn vader en zijn moeder nog wel bij elkaar zouden blijven. Er was helemaal niets aan de hand en over het voorval werd nooit meer gesproken, alles ging gewoon verder zoals altijd.
Hij wist niet hoe zijn vader in elkaar stak, of zijn moeder, of hijzelf, wat dat aangaat. Hij wist zowiezo niet hoe volwassenen met elkaar communiceren. Hij wist vanaf toen wel dat naast zalige onwetendheid ook duivelse onzekerheid bestond en bezwoer zichzelf dat hij later altijd eerst zou weten voordat hij zou voelen.


Op bezoek. (waar gebeurd)

“Is dat dat huis waar die ronde luidsprekers aan het plafond hangen?”
De vraag van mijn broer Edwin had net zo goed in Swahili gesteld kunnen zijn, mam heeft nog niet eens een hint van een context om een concept te bedenken hem te beantwoorden.
“Weet ik veel, ” antwoordde ze, “ze hebben twee hondjes en één is geopereerd en daar ga ik even voor op bezoek.”
“Ach ja, hondjes, natuurlijk…” verzuchtte Edwin. Ik hielp hem uit de benarde situatie door te bevestigen dat zich daar inderdaad een werkend paar hangende Grundig Audiorama luidsprekers bevinden. “Cool!” was het antwoord.
“Dat is hartstikke leuk, ” kirde mam, “dan kan jij voor die dingen te kijken mee,” ze keek mij aan, “en ze hebben een zoon van jouw leeftijd die gitaar speelt, ga ik voor de hondjes en ze hebben net een nieuwe auto. Ton? Gaan we gezellig met z’n allen!” Pap legde met een puf zijn krant weg en stond op. En zo gebeurde het dat we met zijn vieren op een mooie avond in het najaar van 1998 over de dijk liepen op weg naar een klein huisje met een nieuwe auto voor de deur, twee teckels, waarvan één post-op, een zoon van vijfentwintig die nog bij zijn ouders woont en een paar avant-garde luidsprekers aan het plafond.
Het huisje was inderdaad alleraardigst en de ontvangst hartelijk. Ik werd gelijk met de zoon meegestuurd en pap werd mee naar buiten genomen richting auto.
Op de zolderkamer van de zoon was het, op z’n zachts gezegd, nogal vol. Zijn echte leeftijd bleek vierendertig te zijn, de gitaar die hij bespeelde was een versleten, japanse stratocaster imitatie en bespelen was ook een optimistische benaming. Behalve een significante daling in interesse waren het, echter, de twee potten Vaseline en de flacon handcrème die in de kamer stonden die me ervan weerhielden ergens te gaan zitten of iets aan te raken. “Ik.Moet.Hier.Weg!” spookte het door mijn hoofd.
Eén smoes en twee trappen later stond ik weer beneden. Ik wenkte Edwin en fluisterde hem de situatie op de zolderkamer in. Hij trok zijn wenkbrauwen op en fluisterde het op zijn beurt bij pap in die alleen maar even kuchte. De ‘nieuwe’ auto was een vijf jaar oude occasion en de luidsprekers klonken geweldig maar waren voor geen geld te koop dus wij drieën zaten een kwartiertje later al aan de koffie bij pap thuis. Het hondje daarentegen was wel héél zielig dus mam bleef nog even. Ietsje later had ook zij koffie en gingen de koekjes in het rond.
“Waarom waren jullie nou zo snel weg?” vroeg ze. Edwin en Paps mompelen een beetje door elkaar dat de auto niet echt nieuw was en een beetje saai en dat de luidsprekers mooi waren, enzo, maar niet te koop.
“En jij? Die jongen is toch wel aardig?”
“Ja…Eh… Maarre… Het is niet echt een jongen meer, gitaar spelen kan die niet echt. Enne… Iemand die twee potten vaseline en een fles handcrème op zijn zolderkamertje bij zijn ouders heeft staan, daar wil ik geloof ik niks mee te maken hebben.”
Ze keek me een beetje verbaast aan en zei: “Dat is toch niet erg. Misschien heeft ‘ie wel een heel droge huid”.
“MAM!!!”